maandag 8 maart 2010

Wat is begrip?

Er zijn verschillende dimensies in een betoog. Zo kan men er minstens twee onderscheiden: het begrijpen en het verstaan. Het begrijpen van een betoog verwijst naar het qua redelijke begrippen inzien van de boodschap van een verhaal: wat wordt er in feite gezegd, wat wordt er eigenlijk bedoeld, wat is uiteindelijk de mening van de spreker? Daartegenover staat het verstaan van een betoog. Daarbij draait het niet om het redelijk inzien van begrippen, maar om het verstaan in technisch-formele zin, een vermogen dat men soms verwoordt in termen van de zogenaamde well formed formulas.

Misschien kan men dit onderscheid nog het beste begrijpen door middel van een woordassociatie: ‘verstaan’ kan geassocieerd worden met ‘staan’. Zo kan men iemand niet verstaan die enkele kilometers verder staat. Neen, er is een zekere spatiotemporele voorwaarde verbonden aan het verstaan van een betoog (een voorwaarde die natuurlijk met de ontwikkeling van talloze communicatiemedia complex is gedifferentieerd). Om iemand te verstaan zijn er spatiotemporele voorwaarden die het überhaupt mogelijk maken dat er sprake is van communicatie. Communicatie die dan weer begrepen kan worden of niet. Zo kan men thans het onderscheid tussen begrijpen en verstaan duiden.

Dit brengt ons bij een verdere verfijning. Wat zijn namelijk de tegenhangers van deze twee dimensies? Wat dienen we te begrijpen onder het niet-begrijpen van een betoog en het niet-verstaan van een betoog? In de lijn van het vorige zou het niet-begrijpen van een betoog verwijzen naar het niet redelijk vatten van de boodschap van het verhaal, van wat er gezegd wordt, in de zin van: ‘ik begrijp het niet, het is veel te moeilijk’. Het niet-verstaan van een betoog verwijst dan naar het niet voldoen aan de spatiotemporele voorwaarden van het medium waarin het betoog gevoerd wordt. Wanneer men iemand niet verstaat, dan staat men bijvoorbeeld te ver om te horen wat er gezegd wordt.

Interessant nu aan deze onderscheidingen is de gemoedstoestand die deze dimensies van het betoog opwekken. Hoe voelt het om een betoog (niet) te verstaan en/of te begrijpen? Iedereen heeft wel eens van een goede leerkracht een heldere les onthouden en met plezier herinnerd op het examen. En iedereen weet ook wat het is om dankzij een microfoon verstaanbaar te zijn voor een zaal genodigden. Evenzo heeft iedereen wel al eens de ervaring gehad iets niet te begrijpen van wat een ander zegt, ondanks dat men hem of haar goed verstaat. Men hoort de woorden wel, maar men vindt geen betekenis. En iedereen heeft wel eens geïrriteerd een te luidruchtig café uitgevlucht op zoek naar rustiger oorden om te spreken. Kortom, we weten allemaal min of meer hoe het voelt om iets te begrijpen, te verstaan en om iets niet te begrijpen, niet te verstaan. In die zin zijn de twee onderscheiden dimensies van een betoog qua gevoeligheid niemand vreemd.

Minder evident is echter een gevoeligheid ten aanzien van een wijziging van deze functionaliteitsrelatie tussen de genoemde dimensies van het betoog. Meestal hebben het (niet-)verstaan en het (niet-)begrijpen een functie die in relatie staat tot het begrijpen. Men is immers vooral bezig met het begrijpen van anderen. Alle andere vermogens (verstaan, niet-verstaan en niet-begrijpen) zijn gericht op het begrijpen. Dat men iemand verstaat, daar letten we nauwelijks op. We merken het pas op na een verstoring van het verstaan (na een niet-verstaan) dat we iemand opnieuw verstaan. Kortom, de gehele communicatie lijkt meestal gericht op het begrijpen, want het niet-begrijpen kan misschien in het begin nog een uitdagend gesprek beloven, maar uiteindelijk zorgt een doorgedreven onbegrijpelijkheid ervoor dat de communicatie doodbloedt. Dus is het begrijpen meestal het laatste doel en dienen alle andere dimensies als hulpmiddelen tot dat ultieme doel. We verstaan elkaar om tot begrip te komen en als we elkaar niet begrijpen, dan is het misschien omdat we elkaar niet goed verstaan of omdat het wat meer uitleg nodig heeft om tot begrip te komen. Als we elkaar maar begrijpen.

De vraag is nu of we die andere dimensies kunnen begrijpen, zonder al te nadrukkelijk gericht te zijn op het telos van de communicatie, met name, het begrijpen. Kunnen de dimensies van het verstaan en het niet verstaan, en het niet-begrijpen, ook een andere functie hebben dan die met als doel het begrijpen? Kunnen we bijvoorbeeld louter de aandacht er op vestigen dat we elkaar verstaan? Dat we woorden horen en geen lawaai? Dat we letters zien en geen krabbels? Dat we een tekst zien en geen inkt? Dat er iets verstaanbaar verschijnt? Dat er iets is veeleer dan niets? Dit leidt echter al snel tot een nogal poetisch taalgebruik, in de zin van een taal die naar zichzelf verwijst.

En wat met het niet begrijpen? Heeft het veel zin als ik spreek over WirkungsGeschichte en Transcendentaler Idealismus of de manque-a-etre of het ego cogito dat zich bedient van een methodische twijfel om zo de mathesis op te werken tot novum metafysica? In zekere zin is er immers een grens aan het verstaan in de eigen taal en die grens wordt overschreden door een overdosis aan terminologie die de woordenschat in de schaduw plaatst. Zo leeft er in elke taal, waarin men zich thuisvoelt, iets radicaal onbegrijpelijk, met name, een overterminologisch gebruik dat maakt dat men zich ongemakkelijk voelt net zoals men zich tegenover een onbekende taal bevindt. Door met andere woorden een taalonwaardige taal te spreken, een taal die niet meer klinkt als de normale moedertaal, een lelijke taal, dan kan men meten hoe men staat tegenover andere talen. Het niet-begrijpen biedt immers een maatstaf van openheid voor andere talen en daarmee voor andere culturen.

En tenslotte, wat is er met het niet-verstaan? Hier rijst de belangrijke vraag hoe andere talen zich verhouden ten opzichte van de dimensies van het betoog. Is het in contact komen met een andere taal, bijvoorbeeld het Swahili, een kwestie van niet-verstaan of niet-begrijpen? Verstaan of begrijpen doen we prima facie niet. Indien het dan een kwestie is van niet-verstaan, dan rekent men het Swahili echter tot de orde van de ruis, het lawaai en de klanken. Het betreft geen taal. Een taal is immers wat verstaanbaar is, dat wil zeggen iets dat het klankenspectrum indeelt zoals wij. Indien het een kwestie is van niet-begrijpen, dan verstaan we elkaar wel - beide zijn talen als indeling van klank -, alleen zien we niet de redelijke begrippen in als boodschap van het verhaal van de ander. Om echter zulk een instelling te hebben tegenover andere talen, lijkt men wat extra te moeten hebben. Het is namelijk waarschijnlijk dat per natura een andere taal als een kwestie van niet-verstaan wordt begrepen. Om het als een kwestie van niet-begrijpen te begrijpen heeft men nood aan vorming. Vorming die ondermeer mogelijk is door het geconfronteerd worden met een onmenselijke taal, waarin de termen hoogtij vieren zodat er binnenin de moedertaal besef komt van de taligheid van die taal, voor de buitenkant van die taal als taal, een buitenkant die ook andere talen kenmerkt, zonder dat we er binnenin kunnen kijken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten